Bejegening tips voor verzorgers bij het omgaan met kinderen met PPD Nos 

 

 

Praktische aanpak

 

  • Reageer goed op het feit dat PDD-NOS kinderen slecht tegen wisselende situaties kunnen. Houd er rekening mee; reken de kinderen hier niet op af.

  • Vermijd zoveel mogelijk abstract taalgebruik, dit begrijpen ze namelijk niet. Taalgebruik moet voor deze kinderen in de eerste plaats functioneel zijn.

  • Autistische kinderen maken eigenlijk nauwelijks gebruik van kijken en luisteren (meer van ruiken en voelen). Dit moeten ze bewust leren. Geef het kind een reden om te luisteren of te kijken. Dit kan door middel van gestructureerde opdrachten.

  • Kinderen met PDD-NOS willen graag alles hetzelfde houden. Daarom moet je heel langzaam veranderingen invoeren en plannen wijzigen. Doe dit stapsgewijs. Probeer panieksituaties zoveel mogelijk voor te zijn door het kind goed voor te bereiden.

  • Maak ook goed duidelijk hoe het verloop van een opdracht in elkaar zit (wat, wanneer, hoe, met wie, enz.), hoe lang ( rooster, beloning op goed resultaat). Geef daarbij ook visuele ondersteuning, dit kan via beeldverhaal en pictogrammen. Zo is in een oogopslag te zien wat de opdracht inhoud.

  • Gebruik beloningssystemen om het kind over de drempel heen te trekken. Goede beloningen zijn bijvoorbeeld: materiele beloningen (iets krijgen bij iets goed doen). Dit zijn meestal hele krachtige versterkers voor deze kinderen. Activiteitenversterkers (een stripboek lezen, boekjes voor de leerkracht in elkaar nieten). Ruilversterkers (stickers). Sociale versterkers (complimentje krijgen).

  • Leer gedrag alleen aan door veel herhalen, inprogrammeren, voorzeggen en uitleggen.

  • Zet het kind steeds met beide benen op de grond. Fantasieën ontaarden namelijk makkelijk in angst.

  • Leer hem beseffen dat hij beperkingen heeft, dat hij een manier van denken heeft dat verschilt van anderen. Dit maakt hem reëler en kan hem helpen zijn zelfacceptatie te vergroten.

 

Tips voor verzorgers voor het omgaan met een kind met PDD-NOS

 

  • Zorg ervoor dat het kind niet teveel bepaalt wat er in het gezin gebeurt. Hou zelf de touwtjes in handen. Je andere kinderen hebben ook aandacht en ruimte nodig.

  • Ga voorzichtig om met het uiten van je gevoelens. Vooral emoties als vijandigheid, kritiek of over-betrokkenheid is niet goed voor je kind. Zulke emoties worden namelijk vaak niet door je kind niet begrepen. Het is zelfs zo dat ze de stress meer verhogen.

  • Zorg ook dat je af en toe afstand van elkaar neemt. Irritaties en stress nemen namelijk toe als je meer dan 35 uur per week met elkaar doorbrengt.

  • Zorg voor orde, regelmaat en structuur. 

  • Accepteer nooit agressief gedrag van je kind.

  • Probeer nieuwe dingen stapje voor stapje in te voeren, te veranderen of te oefenen.

  • Maak nieuwe dingen voorspelbaar, gebruik hiervoor desnoods visueel materiaal, zoals pictogrammen of beeldverhaal.

  • Stop ongewenst gedrag bijtijds. Hoe langer je daar namelijk mee wacht, hoe moeilijker het wordt om het af te leren.

  • Stimuleer gewenst gedrag, bijvoorbeeld het samenspelen met andere kinderen en een bezoekje aan de dokter. Je kind raakt daar dan mee gewend.

  • Wanneer nieuwe zaken aangeleerd moeten worden; zet door en laat je niet afschrikken door tegenstand. Maak de situatie wel veilig voor het kind.

 

 

 

Klik op het icoon om dit document te downloaden